
Prijsindexatie Jeugdwet en Wmo 2027 bekend
Het ministerie van VWS berekent de prijsindexcijfers die gebruikt kunnen worden om de tarieven in de zorg te indexeren. Aangezien zorgaanbieders vaak zorg in meerdere zorgdomeinen leveren, is het voor hen belangrijk dat dezelfde indexpercentages worden gebruikt voor de verschillende zorgdomeinen. Hieronder vindt u meer informatie over de indexatie binnen de Jeugdwet en de Wmo voor het komende jaar.
Prijsindexcijfer OVA/PPC 2027 (voorlopig)
- Voorlopige OVA/PPC prijsindexcijfer 2027: 3,74%
- OVA: 3,96% (gewicht 90%)
- PPC: 1,77% (gewicht 10%)
- Bijstelling OVA/PPC 2026 (verschil voorlopige en definitieve OVA/PPC 2026): – 0,15%
- Gecombineerde indexatie voor 2027: 3,59%
= voorlopige OVA/PPC 2027 + bijstelling OVA/PPC 2026
Indexatie met OVA- en PPC-percentage Jeugd
In lijn met de bepaling in de Contractstandaarden Jeugd die op 2 december 2022 door de ALV van de VNG algemeen verbindend zijn verklaard, adviseert de VNG de gemeenten daarom om voor het jaar 2026 de onderstaande indexatie aan te houden.

Indexatie contractstandaarden Wmo
Op 29 november 2024 zijn de Contractstandaarden Wmo (diensten) vastgesteld door de ALV van de VNG. De wetgever stelt geen nadere regels over de wijze van indexeren. Partijen hebben besloten om een open bepaling op te nemen in de Contractstandaarden Wmo, in tegenstelling tot de Contractstandaarden Jeugd. Als gemeenten aansluiting hebben gezocht bij de manier waarop deze is geformuleerd in de Contractstandaarden Jeugd, wordt geadviseerd om het hierboven genoemde indexatiepercentage te gebruiken.
Overige verplichtingen vanuit de Wmo
- Beschermd Wonen: OVA- en PPC-cijfers
De middelen voor Beschermd Wonen worden verstrekt via een integratie-uitkering (IU BW). Met ingang van 2026 wordt de volume-indexatie Beschermd Wonen bepaald op basis van het accres, dus de ontwikkeling van het BBP[1]. Jaarlijks volgt in het voorjaar een tussentijdse prijsindexatie van het betreffende jaar op basis van CEP. Gemeenten kunnen voor deze indexatie de OVA- en PPC-cijfers volgen. - Maatschappelijke Opvang: geen aparte indexatieregeling
Voor de decentralisatie-uitkering Maatschappelijke Opvang is geen aparte indexatieregeling vastgesteld. Gemeenten moeten loon- en prijsstijgingen bekostigen uit het accres van de algemene uitkering. Gemeenten kunnen voor de indexatie van MO-tarieven ook de OVA- en PPC-cijfers volgen. - Sociaal werk
Voor sociaal werk en andere autonome taken binnen het sociaal domein kan sinds 2024 ook de verplichting voor reële prijzen gelden. Veel van deze diensten worden via subsidiëring gefinancierd. Voor 2024 gold voor subsidies niet de verplichting van financiering van de reële prijs. Maar vanwege de Wet maatschappelijk verantwoord inkopen Jeugdwet en Wmo 2015 geldt die verplichting nu ook voor subsidies, als de subsidie bedoeld is voor diensten voor cliënten en als het doel van de subsidie is om de diensten volledig te bekostigen (artikel 5.4 3e lid Uitvoeringsbesluit Wmo respectievelijk artikel 2.3 4e lid Uitvoeringbesluit Jeugdwet).
Andere vormen van subsidies. zoals exploitatiesubsidies, instandhoudingssubsidies of waarderingssubsidies, vallen niet onder de genoemde artikelen in de Uitvoeringsbesluiten Wmo en Jeugdwet. Gemeenten zijn verder vrij om de inhoud, omvang en financiering van autonome taken te bepalen.
Cao-afspraken waarvan de kosten uitstijgen boven het OVA-indexeringspercentage
De VNG ontving de afgelopen jaren signalen van gemeenten. Zij gaven aan dat gecontracteerde aanbieders bepaalde indexatie-afspraken die in het contract staan tussentijds wilden herzien. De reden hiervoor is dat er cao-afspraken waren gemaakt waarvan de (loon)kosten) hoger waren dan het in het contract afgesproken OVA-indexeringspercentage. De vraag was hoe gemeenten hiermee moeten omgaan.
Op grond van artikel 2.3 Uitvoeringsbesluit Jeugdwet en artikel 5.4 Uitvoeringsbesluit Wmo moeten gemeenten bij het afsluiten of verlengen van een contract naast reële tarieven ook een reëel te verwachten indexeringspercentage opnemen. Het kan voorkomen dat beide partijen het contract tekenen waarna de aanbieder tussentijds te maken krijgt met hogere loonkosten dan is vastgelegd in de indexeringsafspraak uit het contract. In dat geval hoeft de gemeente die hogere kosten niet tussentijds te vergoeden, tenzij de gemeente daarover in het contract afspraken heeft gemaakt.
[1] Volgens dezelfde systematiek als in het Gemeentefonds.