Interview | Heerlen doet het anders: ‘Samenwerking in plaats van marktwerking’

Dubbelinterview met wethouders Peter van Zutphen en Jordy Clemens van Heerlen.

Op 17 februari organiseert de gemeente Heerlen samen met het Ketenbureau i-Sociaal Domein het digitale congres ‘Anders Doen in het Sociaal Domein’. Hoe heeft de Limburgse stad het sociaal domein zo succesvol anders ingericht met de zorgaanbieders? Wethouders Peter van Zutphen en Jordy Clemens geven alvast een tipje van de sluier. ‘Natuurlijk blijven wij als gemeente verantwoordelijk, daar lopen we niet voor weg.’

Heerlen heeft sinds een aantal jaren het sociaal domein helemaal anders ingericht. Ze werkt nog maar met twee zorg- en welzijnscoöperaties. Heerlen STAND-BY! is een samenwerkingsverband van een aantal zorg- en welzijnsorganisaties dat Wmo-ondersteuning biedt aan alle inwoners van Heerlen. JENS is het samenwerkingsverband jeugd,  dat preventieve activiteiten en ambulante jeugdhulp biedt in de gemeenten Heerlen, Landgraaf en Voerendaal. Doel is de hulp aan kinderen en jongeren effectiever en efficiënter te organiseren. JENS heeft de ambitie om het regionale jeugdzorglandschap te transformeren en gelooft in duurzame kwaliteitsverbetering van de zorg.

Waarom heeft de gemeente Heerlen hiertoe besloten? En heeft u altijd vertrouwen gehad in deze aanpak?

Clemens: “Betere jeugdzorg ontstaat uit maximale ruimte voor hulpverleners en uit samenwerking tussen onderwijs, zorgaanbieders en alle andere partijen die bij gezinnen betrokken zijn. Ik zag dat die samenwerking in de praktijk tot op zekere hoogte tot stand kwam, maar dat we nooit die laatste stap naar échte gezamenlijkheid konden maken. Door de keuze te maken voor het zoveel mogelijk samenbrengen van al die partijen rondom kinderen en gezinnen proberen we zoveel mogelijk ruimte te creëren voor professionals om te kunnen doen wat nodig is.”

Van Zutphen: “Ja. We zagen al heel lang, zowel zorginstellingen als wij als gemeente, dat het systeem van aanbesteding, concurrentie, uurtje-factuurtje, omzetmaximalisatie en inperking hiervan via indicatiestelling niet houdbaar was. Vanaf 2009 zijn we dan ook op kleinere schaal begonnen met experimenten op basis van samenwerking. Toen dankzij de decentralisatie AWBZ er nog veel meer taken naar de Wmo kwamen, gaf dat de doorslag om het over een heel andere boeg te gooien.”

“Wel hebben we eerst gezorgd voor een goede overgang van de cliënten naar de gemeente binnen het traditionele systeem. Een aantal intensieve sessies die ik met zorgbestuurders had, leidden tot een gezamenlijk plan met als basis ‘samenwerking in plaats van marktwerking’ en ‘vertrouwen in de professional’, en financiering op basis van een lumpsum. Waar je zou kunnen vermoeden dat juristen en controllers huiverig zijn voor dit soort totaal afwijkende constructies was het hier juist andersom. Zij bouwden juist mee aan een opzet die de nieuwe constructie niet alleen inhoudelijk wenselijk maar ook realistisch maakte. En zo zijn we per 1 juli 2017 met Heerlen STAND-BY! begonnen.”

De gemeente Heerlen en zorgcoöperaties JENS en Heerlen STAND-BY! werken samen in een partnerschap om het anders te doen in het sociaal domein. Toch blijft er sprake van opdrachtgever- en opdrachtnemerschap. Hoe wordt dit dan vormgegeven?

Clemens: “Als je er van buiten naar kijkt, zou je kunnen zeggen dat we de zorgpartijen in de coöperatie in elkaars armen hebben gedreven. In werkelijkheid kwamen deze partners elkaar natuurlijk al op allerlei plekken tegen en hadden sommigen al ervaring met vergaande samenwerking in de Heerlense Wmo. Wat wij doen door het hele pakket van ambulante zorg en jeugd- en jongerenwerk bij één partij te beleggen is enerzijds prettig omdat iedereen nu weet bij wie je moet zijn en anderzijds goed omdat het zowel dwingt als aanmoedigt tot nieuwe vormen van samenwerking.”

Van Zutphen: “Natuurlijk blijven wij als gemeente verantwoordelijk, daar lopen we niet voor weg. Maar de professional die bij de mensen thuis komt kan veel beter beoordelen wat wel of niet nodig is dan wij als gemeente dat zouden kunnen, hoe deskundig onze gemeentelijke indicatiestellers ook zijn. We geven met vertrouwen in de professional dan ook veel meer inhoud aan onze verantwoordelijkheid dan via indicatiestelling die vaak neer komt op georganiseerd wantrouwen.”

“Natuurlijk moeten de betreffende zorginstellingen dezelfde houding hebben, en ons vertrouwen waard zijn. Wij prijzen ons gelukkig dat dat ook zo is. Vanzelfsprekend is dat geen blind vertrouwen. Iedere burger blijft de mogelijkheid houden bij de gemeente een individuele maatwerkbeschikking aan te vragen als hij of zij meent niet goed ondersteund te worden door STAND-BY! Maar afgezien van overgangscliënten met PGB’s in de beginperiode gebeurt dit slechts zeer spaarzaam.”

“Verder heeft de gemeente zowel bestuurlijk als ambtelijk heel veel contacten met cliënten in de stad, met zorgverleners en formele en informele overleggen met STAND-BY! als organisatie. En natuurlijk hebben we diverse onderzoeken lopen naar onder meer de “beleving” van de cliënten en doorlooptijden. Telkens weer blijkt dat we een inhoudelijk goede keuze gemaakt hebben, dat de kwaliteit van de ondersteuning er op vooruit is gegaan.”

Wat heeft u concreet gemerkt van het anders doen in het sociaal domein voor de zorgprofessionals en cliënten in Heerlen?

Van Zutphen: “Heel concreet: we halen de dure en langdurige stap van gemeentelijke indicatiestelling uit de zorg. Professionals kunnen zelf bepalen wanneer ze willen opschalen of afschalen, natuurlijk in overleg met de cliënt. Ze hoeven niet eerst naar de gemeente te stappen voor meer uren. En, toch ook een belangrijk punt, zónder eigen bijdrage.”

Clemens: “Waar ik echt van onder de indruk ben is de manier waarop in de jeugdzorg de verbinding wordt gemaakt met peuterspeelzalen, scholen, verenigingen en buurten. Waar we al sinds de decentralisatie over praten, krijgt nu echt gestalte. Tegelijkertijd bleek ook hoe ingewikkeld het jeugdzorgveld kan zijn en hoeveel er komt kijken bij met name multi-probleemgezinnen. Op al die zaken formuleren we nu steeds vaker samen antwoorden.”

Clemens: “Waar ik echt van onder de indruk ben is de manier waarop in de jeugdzorg de verbinding wordt gemaakt met peuterspeelzalen, scholen, verenigingen en buurten. Waar we al sinds de decentralisatie over praten, krijgt nu echt gestalte.”

Waarom heeft u besloten om een digitaal congres te organiseren? Wat kunnen andere bestuurders leren van de aanpak in Heerlen?

Clemens: “Enerzijds vertellen we graag ons verhaal van samenwerking in de zorg. Anderzijds kijk ik uit naar een dag waar ons ook uit allerlei richtingen een spiegel voor kan worden gehouden. Daarom doet het me goed te zien dat er inmiddels al aanmeldingen uit het hele land binnenstromen.”

Van Zutphen: “Ik ben niet iemand van grote aankondigingen die vervolgens niet waargemaakt kunnen worden. Daarom hebben we bij STAND-BY! eerst een aantal jaren willen waarmaken wat we wilden realiseren, zonder hier heel hard over op de trom te slaan. In 2020 was het echt zover dat we alle bescheidenheid moesten laten varen: we hadden het contract met vier jaar verlengd, de inhoudelijke resultaten klonken als een klok, en het onbedoelde financiële bijeffect was ook nog eens duidelijk. Toen hebben we gezegd: we halen belangstellenden uit heel Nederland naar Heerlen om dit ook te laten zien: “be good and tell it”. Helaas moesten we dit vanwege corona telkens weer uitstellen, maar we hebben nu lang genoeg gewacht. We zijn trots om het nu digitaal te laten zien.”

Tijdens het digi-congres Anders Doen in het Sociaal Domein vinden Bestuurderstafels plaats. De ene gaat over partnerschap, de andere over bestuurlijk geduld bij transformatie in het sociaal domein. Waarom zijn dit onderwerpen waar u met andere bestuurders over van gedachten wilt wisselen?

Van Zutphen: “Zolang je als bestuurder gevangen blijft in het traditionele denkpatroon van marktwerking en uurtje factuurtje blijf je met je inhoudelijke verbeteringen ook binnen dat kader hangen. En andersom, als er financiële problemen zijn blijf je ook in het keurslijf van bezuinigingen en afknijpen. Maar het blijkt dus wel degelijk mogelijk én realistisch een andere keuze te maken. Dat moet je natuurlijk wel willen, daar is geduld voor nodig, want je hebt goede zorginstellingen nodig. En die moet je ook meekrijgen in je keuzes.”

Van Zutphen: “Mijn ervaring is anders: verreweg de meeste mensen in de zorg hebben vooral veel betrokkenheid bij hun mensen en hun werk. Daarmee hebben we goud in handen. Maak de keuze daar op voort te bouwen.”

Tot slot, heeft u nog tips voor collega-bestuurders om de transformatie in het sociaal domein succesvol vorm te geven?

Van Zutphen: “Uiteindelijk draait het óók om welk mensbeeld je hebt. Als je de overtuiging hebt dat alleen financiële prikkels in de zorg werken, en dat je vervolgens als gemeente die prikkels weer moet beteugelen, gaat dit niet werken. Mijn ervaring is anders: verreweg de meeste mensen in de zorg hebben vooral veel betrokkenheid bij hun mensen en hun werk. Daarmee hebben we goud in handen. Maak de keuze daar op voort te bouwen.”

Clemens: “Inderdaad. Blijf vooral niet te veel fantaseren en filosoferen maar ga aan tafel met de welwillende partners in zorg, onderwijs en maatschappelijk middenveld in je gemeente. Uiteindelijk moet anders werken toch vooral ontstaan uit gezamenlijke ambitie en de wil samen de grote stap te zetten.”

Praktijkverhaal | Kleinschalig specialistisch wonen ontwikkeld door aanbieders en gemeenten Drenthe

Kinderen zo thuis en huiselijk mogelijk laten opgroeien, dat is het doel van ‘kleinschalig specialistisch wonen’. Het is een Drents initiatief dat in volledige open samenwerking tussen aanbieders en gemeenten wordt ontwikkeld. Lees in dit verhaal hoe gemeenten en aanbieders dit doel hebben vormgegeven.

Aanbieders en gemeenten onderkennen het belang van kleinschaligheid. De gedeelde visie is dat als nu wordt ingezet op het voorkomen van verplaatsingen dit in de toekomst zal leiden tot kwalitatief beter en duurzaam wonen en een daling in de vraag naar specialistische woonplekken. De voorbereidingen voor dit initiatief zijn al in 2020 gestart en op woensdag 15 december 2021 besloten de wethouders van Drenthe dat het project van start mag.

Eind 2020 spraken wij met Annemieke Smit (Yorneo), Alinda Kloosterman (Cosis) en Harmke Vlieg (wethouder in Assen) over het Bestuurlijk Transformatie Akkoord Jeugd Drenthe. Op dat moment was het twee jaar geleden dat twaalf Drentse gemeenten en vijf grote aanbieders het BTA hadden ondertekend. De eerste resultaten van diverse projecten onder het BTA begonnen net zichtbaar te worden. Nu, een jaar later, spreken we met Marianne Langebroek (projectleider bij Yorneo en van het project kleinschalig specialistisch wonen), Ina Kuipers (directeur Noord en Midden Nederland bij Ambiq) en Robert Kleine (wethouder Jeugd, Onderwijs, Welzijn en Cultuur in de gemeente Emmen en tevens initiatiefnemer van het BTA). Net als vorig jaar staan zij ons gezamenlijk vanuit de verschillende perspectieven te woord; tekenend voor de open cultuur tussen aanbieders en gemeente in Drenthe.

Een terugblik op het vorige praktijkverhaal

Met het BTA (Bestuurlijk Transformatie Akkoord) constateerden en erkenden de twaalf Drentse gemeenten en vijf grote aanbieders dat hun denkrichtingen vooral vanuit de systeemwereld kwamen en dat daarmee de aansluiting op ‘de bedoeling’ uit beeld was geraakt. De kern van het akkoord is dan ook om beter aan te sluiten bij de leefwereld van kinderen, jongeren en ouders. Met het akkoord wordt de focus expliciet gelegd op de bedoeling van de transformatie, niet op de systemen die daarvoor nodig zijn. Gezamenlijk willen de ondertekenaars zorg dragen voor een kwalitatief goed jeugdhulpaanbod tegen betaalbare kosten.

Het BTA is te zien als een soort paraplu met uitgangspunten en doelstellingen, waaronder verschillende bewegingen, projecten en pilots worden georganiseerd om het hoofddoel te bereiken: een kwalitatief goed jeugdhulpaanbod tegen betaalbare kosten. In dit artikel vind je drie actuele voorbeelden. De uitwerking van de bewegingen in initiatieven ligt niet al vast in het akkoord, maar wordt opgepakt in wisselende, kleine groepjes waarin de gemeenten en aanbieders samenwerken. Elk initiatief wordt uiteindelijk door de twee Drentse inkoopregio’s (Zuid-Drenthe en Noord- en Midden Drenthe) vertaald naar een marktinstrument, zoals een subsidie of een inkoopprocedure.

 Vorig jaar noemden Annemieke, Alinda en Harmke al als belangrijkste succesfactor het gezamenlijk optrekken en het open zijn naar elkaar. De aanbieders en gemeenten hebben geleerd dat transparant zijn over de eigen visie, aanpak, doelen en data helpt om de juiste beweging voor elkaar te krijgen. Anderzijds is ook geleerd dat initiatieven opzetten tijd kost en dat er aanlooptijd nodig is voordat impact en besparingen zichtbaar worden. Maar dat weerhoudt de Drentse samenwerking zeker niet. Alinda vatte het mooi samen: “Het gaat echt over samenwerken in netwerken. We zitten met elkaar in een steeds krappere markt, waarin goed gekwalificeerd personeel bijvoorbeeld echt schaars is. We hebben er veel meer aan als we met elkaar de schaarse middelen goed in weten te zetten, dan wanneer we er onderling om concurreren. We hebben het gewoon met elkaar te fixen.”

De opzet van kleinschalig specialistisch wonen

Een jaar na ons vorige gesprek lijkt de gezamenlijkheid en samenwerking nog steeds centraal te staan in het BTA. Ina: “We hebben één keer per zes weken bijvoorbeeld een overstijgend overleg met de partijen die bij het BTA betrokken zijn. Hier bespreken we zaken die zowel regionaal als bovenregionaal van belang zijn voor het verbeteren van de jeugdzorg. Het is goed om bewegingen en uitdagingen uit te wisselen, dat geeft houvast. Samen daarover nadenken heeft een meerwaarde.” Zo wordt er gekeken welke bewegingen er overstijgend nodig zijn voor de Drentse jeugd. Uit verschillende onderzoeken binnen het BTA kwam het belang van kleinschaligheid naar voren, gerelateerd aan de behoefte aan passende verblijfsplekken voor jongeren. Hiervoor is het initiatief kleinschalig specialistisch wonen opgericht binnen het BTA, waar Marianne, Ina en Robert ons graag meer over vertellen. Het doel? Jongeren zo duurzaam mogelijk laten wonen op de plek die het best passend is voor hen, en daarmee het voorkomen van verplaatsingen. Zo hebben jongeren een woonplek waar ze zo thuis en huiselijk mogelijk kunnen opgroeien.

Vijf zorgaanbieders Accare, Ambiq, Cosis, Elker en Yorneo zijn betrokken bij dit initiatief. Marianne neemt ons mee in het concept: “Dit initiatief is opgezet omdat er een aantal jongeren is dat vaak verplaatst is in het verleden en/of waar geen goede woonplek voor gevonden kan worden. Daar wilden we gezamenlijk een oplossing voor vinden.” Bij het kleinschalig specialistisch wonen is het zogenaamde ‘Reizend Specialistisch Team’ een belangrijk component. Marianne: “Dit team wordt ingezet op woonplekken waar vragen zijn over hoe zorg het best passend gemaakt kan worden voor jongeren. Het team bestaat uit collega’s vanuit verschillende organisaties, die ieder hun eigen cultuur en kennis meenemen. Zij ondersteunen tijdelijk de betreffende woonplek, maar doen ook een analyse naar wat de beste en meest duurzame plek is voor een jongere .”

Er wordt gestart met een analyse waar vervolgens een advies uit volgt. Er wordt geadviseerd over de mogelijkheden rondom ondersteuning en kennisdeling. Zo kan worden geadviseerd om een andere plek te zoeken, maar kan ook op de woonplek zelf aanvullende ondersteuning geboden worden Concreet zijn er na het advies drie stromen mogelijk:

  • Stroom 1A: Inzet reizend specialistisch team op bestaande woonplek
  • Stroom 1B: Advies passende (bestaande) woonplek met/zonder inzet reizend specialistisch team
  • Stroom 2: Hoog-specialistische woonplek: zo thuis en huiselijk mogelijk en “het anders doen waar dit kan én moet”

Het mooie is juist dat we verschillende perspectieven, belangen en verantwoordelijkheden hebben: zolang we met elkaar in gesprek blijven is dat alleen maar goed en versterkt het eindproduct.

Robert reflecteert op de totstandkoming van deze opzet: “Wat interessant is aan het proces, is dat je het eerst ‘hoog-over’ met elkaar gaat bespreken. Dan ben je het snel eens met elkaar. Als je de diepte ingaat, merk je dat sommige zaken toch aanvullend overleg vragen. We gaan het niet overal over eens worden waarschijnlijk, maar dat hoeft ook niet. Het mooie is juist dat we verschillende perspectieven, belangen en verantwoordelijkheden hebben: zolang we met elkaar in gesprek blijven is dat alleen maar goed en versterkt het eindproduct.” Eén van die zaken waar verschillende perspectieven over bestaan, is het hoog-specialistisch wonen. Hoe wordt daar invulling aan gegeven, is dat voornamelijk tijdelijk of juist een duurzame oplossing? Marianne licht toe: “Daar waar je de vooruitgang en ontwikkeling op gang kan brengen, moet je het zo kort mogelijk houden – dat zijn we met elkaar eens.” Bovendien kan met een sterke stroom 1A en 1B hoog-specialistische instroom worden verminderd, benoemt Ina. “Hoe eerder je het ‘Reizend Specialistisch Team’ inzet, hoe minder je hoog-specialistische ondersteuning nodig hebt. Dat is een belangrijk uitgangspunt waar we scherp op moeten blijven.” Onderstaand zijn de volledige processtromen van het initiatief zichtbaar.

Modelweergave initiatief:

“Hoe eerder je het ‘Reizend Specialistisch Team’ inzet, hoe minder je hoog-specialistische ondersteuning nodig hebt.”

De totstandkoming van het initiatief

Al in 2015 is een experttafel met gemeenten en aanbieders opgericht (DExT) waar ingewikkelde casussen besproken werden. Vanuit de ervaringen van de experttafel is een ‘wittevlekkenplan’ ontstaan, met zowel lokale, regionale als bovenregionale uitdagingen. Ina: “Uit dat plan bleek dat het bij echt complexe casuïstiek met comorbiditeit (mensen die tegelijkertijd twee of meer beperkingen of stoornissen) nog altijd moeilijk was om een jongere op de goede plek te krijgen. Er is kennis vanuit alle markten vereist om daar een zinvolle en nuttige oplossing voor te bieden.” De bewustwording van die complexiteit vormde de basis voor het kleinschalig specialistisch wonen, waarin de behoefte van de betreffende complexe groep continu centraal staat. Dit sluit aan bij de landelijke beweging richting kleinschalig wonen. Robert: “We zien hiaten in de beschikbare woonplekken dichtbij de sociale omgeving van de jongeren waar het over gaat. Daarom is het goed om aan de ene kant een ‘Reizend Specialistisch Team’ te hebben en aan de andere kant na te denken over welke tussenvoorzieningen er nodig zijn.

Ina vervolgt: “Er lopen verschillende initiatieven binnen het BTA, maar wij hadden het gevoel dat specifiek hier veel onnodig leed op zat.” De samenhang van de lopende projecten wordt gelijktijdig altijd goed geborgd. Ina: “Het initiatief is regelmatig in het bredere BTA teruggekoppeld, daar heeft het een vaste plek op de agenda. Daarnaast werd de voortgang vanuit Robert ook in het Algemeen Bestuurlijk Overleg (ABO) van Drenthe gepresenteerd en besproken.”

“Het bleek dat bij echt complexe casuïstiek met co-morbiditeit nog altijd moeilijk was om een jongere op de goede plek te krijgen. Er is kennis vanuit alle markten vereist om een daar een zinvolle en nuttige oplossing voor te bieden.”

De randvoorwaardelijke puntjes op de i

Omdat het initiatief is ontstaan uit een heldere vraagbehoefte bij de experttafel, is gestart met het inhoudelijk ontwikkelen van een oplossing. Later in het proces is steeds meer aandacht ontstaan voor randvoorwaardelijke zaken, waaronder de financiering van het initiatief en de marktinstrumenten die de gemeenten daarvoor hebben. En dat blijkt zo makkelijk nog niet. Robert vertelt: “Die stap maakt het ingewikkeld. We zitten nu in een fase dat de gemeenten besluiten moeten nemen hoe zij dit initiatief faciliteren. Dat is nog niet het meest makkelijke. Een risico is dat gemeenten daarbij een oplossing kiezen die invloed heeft op de inhoud en bedachte kwaliteit. Ik ben benieuwd hoe we daar vorm aan gaan geven.” Momenteel zijn de initiatiefnemende aanbieders en de gemeenten het inhoudelijk eens, maar moeten de randvoorwaarden zoals financiering nog worden ingericht. “Daar zitten nog een aantal bespreekpuntjes in en dat is een mogelijk spanningsveld” benoemt Robert.

De aanbieders zijn in ieder geval goed voorbereid op de laatste stappen richting realisatie. Marianne: “Er is een implementatieplan gemaakt. Als de financiering rond is, kunnen we overgaan tot de implementatie.” Hier ligt een visie aan ten grondslag, benoemt Marianne. “Daar waren we relatief snel uit, dat was een mooi moment van verbindingen leggen en kennis delen met de deelnemende aanbieders.” Ook is reeds een JENN-subsidie toegewezen om te benutten (JENN staat voor Jeugd Expertisenetwerk Noord-Nederland). Deze subsidie stimuleert bovenregionale samenwerkingen om ervoor te zorgen dat jongeren op tijd de hulp krijgen die ze nodig hebben. Met als doelstelling: ‘Geen kinderen tussen wal en schip: 0 zoekende jeugdigen, ouders en professionals met een vraag naar expertise en passende zorg’. Marianne: “Er is dus nog veel te organiseren, maar we weten ook wát we moeten organiseren. We hebben er in ieder geval vertrouwen in dat de gemeente zich goed gaat inzetten om de financiering rond te krijgen.”

Volgende stappen in de financiering van het initiatief

In het bestuurlijk overleg van 15 december is besloten om het reizend specialistisch team onder te laten brengen in de inkoopmodellen van de inkoopregio’s onder de module/ resultaat intensieve behandeling. Na evaluatie volgt een besluit voor het tweede jaar. Hiernaast is besloten dat hoog specialistische woonplekken opgezet mogen worden, waarbij de verbinding met SPUK residentiele middelen (regeling Specifieke Uitkering vergroten van beschikbaarheid van acute jeugd-ggz capaciteit) en andere 3Noord ontwikkelingen (bovenregionale zorgafspraken met de drie provincies Drenthe, Groningen en Friesland) moet worden uitgewerkt. De financiering hiervan moet uiterlijk 1 juni 2022 geregeld zijn. Om dit te kunnen doen is een grote inspanning van de gemeenten / inkoopregio’s en aanbieders nodig – innovatie vraagt soms oplossingen buiten de bekende kaders.

Hoe gaat het breder met de transformatie?

Het BTA is een al langer lopende, bredere beweging. Robert: “Een aantal jaar geleden hebben we een aantal zaken ingezet, denk aan de pilot ‘Regie op drie’ en een focus op samenwerking in het onderwijs.” Daarnaast spelen parallel aan het BTA nog meer transformatiebewegingen in Drenthe. Zo is er op regionale schaal Envedder, een vertegenwoordiger van alle initiatieven en activiteiten die bijdragen aan de groeibeweging van de jeugdzorg in Drenthe. Naast de verschillende lokale en regionale initiatieven, speelt ook de landelijke Hervormingsagenda. Een hoop plannen dus, vindt ook Robert: “De komende tijd gaan we alle plannen tegen het licht houden en doen we een heroriëntatie hoe we dit verder vorm en inhoud gaan geven. Hier kijken we ook naar verbreding, door bijvoorbeeld te verkennen wat voor plek onderwijs moet krijgen. We moeten in ieder geval keuzes maken, ook voor het overdrachtsmoment na de verkiezing. Continuïteit is hierin belangrijk.”

Leerpunten voor het gezamenlijk opstarten van een initiatief

Hoe kijkt het drietal terug op afgelopen tijd en wat zijn geleerde lessen? De eerdergenoemde financiën komen ook hier terug. Robert reflecteert: “Achteraf hadden we wellicht eerder de inkopers moeten betrekken bij het proces, zij hebben hier het meeste verstand van.” Ina: “Het had daarnaast geholpen om eerder te schetsen hoe het volledige proces van idee tot start eruit ziet. Vervolgens hadden we dat op meerdere momenten kunnen toetsen. Dat is zeker een lesson learned.” Marianne, Ina en Robert zijn het met elkaar eens dat er ook eerder opgeschaald had kunnen worden op bestuurlijk niveau. Marianne: “De gemeente was al wel betrokken, maar nog niet op het niveau van wethouders. De laatste maanden is gebleken dat dat heel helpend is, helemaal bij een dergelijk groot initiatief.” Robert: “Je kan nooit iedereen betrekken aan de voorkant. We laten het wel een les zijn dat we eerder moeten toetsen of we de juiste mensen aan tafel hebben. Soms is het nodig om even aan de rem te trekken of een ander spoor te bewandelen, zo gaat het soms.”

Kortom: een hoop ambities en plannen, maar (zeker) ook nog zaken en processen die aangescherpt kunnen worden. Marianne lacht: “We hebben er alle vertrouwen in dat dit goed gaat komen. We hope