U bent hier

Samen investeren in het sociaal domein

Pieter Vergroesen is lid van de Raad van Bestuur en CFO van de grote, landelijk opererende zorgaanbieder ’s Heeren Loo. ’s Heeren Loo ondersteunt mensen met een verstandelijke beperking en hun mantelzorgers, bijvoorbeeld ouders. De hulp varieert van lichte ondersteuning aan huis tot intensieve 24-uurs opvang op woonlocaties. Door zijn specialisme en schaalgrootte werkt 's Heeren Loo met meer dan 150 gemeenten. Pieter Vergroesen is verantwoordelijk voor de financiën, de shared services en de verkoop van zorg. Programma i-Sociaal Domein vroeg hem naar zijn ervaringen in het sociaal domein dat inmiddels twee jaar gedecentraliseerd is.

Hoe verloopt de samenwerking van uw organisatie met de gemeenten?

“Wij werken samen met 152 gemeenten, die op allerlei verschillende manieren werken. De samenwerking met de gemeenten verloopt dus heel verschillend. De aanbestedingen, de verkoop van zorg, het sluiten van contracten en de administratieve afhandeling die komt kijken bij toegang, casusbehandeling en financiële controle, op al deze terreinen werken de gemeenten anders. Dat levert ons grote administratieve lasten op.”

Wat werkt voor jullie organisaties het best in de samenwerking met gemeenten?

Vergroesen: “Als gemeentelijke organisaties en regionale samenwerkingsverbanden kiezen voor de landelijke standaarden, werkt dat voor ons beter. Deze regio’s gebruiken wat er landelijk beschikbaar is en passen desnoods de eigen procedures aan, in plaats van andersom. Ook met gemeenten die meerjarenafspraken met aanbieders maken in plaats van jaarcontracten af te sluiten werken we graag samen. Om te vernieuwen moeten we kunnen investeren in een bepaalde aanpak. Daarvan heb je pas in het tweede of derde jaar profijt. Die tijd is nodig.”

Wat is er in uw organisatie veranderd?

Vergroesen: “We werken natuurlijk sinds de decentralisaties samen met zeer veel opdrachtgevers in plaats van met een beperkt aantal provincies en zorgkantoren. Daarnaast merken we dat we aanvullende expertise nodig hebben, naast de kennis die we hebben van het verlenen van zorg aan onze doelgroep, de verstandelijk gehandicapten. Bijvoorbeeld kennis over het houden van verkoopgesprekken met gemeenten. Voorheen was de contractering meer een administratieve formaliteit, nu moeten we ons bezig houden met aanbestedingstrajecten. Daar is juridische expertise voor nodig. De manier waarop zorg nu wordt ingericht per gemeente is heel grote verschillen aan het opleveren tussen wat een burger in de ene gemeente aan ondersteuningsaanbod aantreft en de burger in de andere gemeente.”

Wat is de grote uitdaging van de transformatie in het sociaal domein?

Vergroesen: “Door de decentralisaties hebben gemeenten oog gekregen voor het integraal werken. Zo kun je multi-problematiek beter aanpakken. Gemeenten zouden zich daarin alleen niet moeten beperken tot de wetten van waaruit de gemeenten nu de nieuwe taken hebben gekregen: de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Jeugdwet en de Participatiewet. Er zijn besparingen te behalen op de langere termijn, en dan niet alleen voor gemeenten maar voor de samenleving als geheel, door bijvoorbeeld de zorg vanuit het justitiële domein te betrekken bij de plannen in het sociaal domein. Door domein- en wet-overstijgend te werken, kun je voorkomen dat er op langere termijn een groter, duurder beroep op zorg wordt gedaan. De impact hiervan reikt verder dan de gemeentegrens. Durft een gemeente te investeren in een jeugddelinquent of een verslaafde, al geeft dit op korte termijn geen direct rendement voor de eigen gemeente? Als je bij jeugdigen aan preventie kan doen van grotere problemen, dan betaalt zich dat later dubbel en dwars terug. Een voorbeeld van domeinoverstijgend werken is het gebruiken van schooluitval als signaal. Alle kinderen moeten naar school. Op het moment dat een kind of jongere niet meer naar school komt, is er mogelijk meer aan de hand. In sommige gemeenten heeft de leerplichtambtenaar nauw contact met het wijkteam. Je ziet dat dat werkt.”

Hoe kunnen gemeenten en zorgaanbieders elkaar meer versterken bij de vernieuwing van zorg?

Vergroesen: “Gemeenten kunnen de samenwerking tussen aanbieders stimuleren en samen met hen een lange termijnvisie ontwikkelen. Een gemeente kan bijvoorbeeld stimuleren dat specialisten in een regio expertise delen. We merken als aanbieder dat er wantrouwen is bij gemeenten naar aanbieders. Gemeenten leggen daarom te veel aandacht op control. In ons veld werken stichtingen zonder winstoogmerk. ’s Heeren Loo en ook andere soortgelijke aanbieders willen ook een zo goed mogelijk resultaat voor burgers en voor de samenleving als geheel. Daarom doen wij dit werk.”

Wat zijn jullie ervaringen met aanbestedingstrajecten van gemeenten?

Vergroesen: “Gemeenten experimenteren met bekostigingsmodellen waarbij een aanbieder verantwoordelijk is voor een hele wijk of populatie. Dit model vraagt dat aanbieders gezamenlijk opdrachtnemer zijn, of partijen een constructie met een hoofdaannemer en onderaannemers inrichten. Dat komt omdat er geen aanbieders zijn die alle expertise in huis hebben die nodig is voor Wmo én Jeugdwet. Wij zijn bijvoorbeeld expert op het gebied van verstandelijk gehandicapten, maar niet op schuldhulpverlening of verslavingszorg. Samenwerking vereist heel veel overleg: hoe meer betrokken partijen, hoe meer afstemming. Dat is kostbaar. We hebben in aanbestedingstrajecten voor deze bekostigingsvorm gemerkt dat sommige gemeenten zich baseren op bepaalde budgetten voor zorg, waarvoor de aanbieder alles moet doen. In het geval van de populatiebekostiging, ofwel de taakgerichte uitvoeringsvariant kan dit er op neerkomen dat zorgaanbieders meer geld kwijt zijn aan zorg dan dat ze van de gemeente krijgen. In zo’n geval kunnen de maatschappelijke risico’s op de zorgaanbieders neer komen. Wij vinden dat geen goede ontwikkeling.”

Oproep aan het veld

1. Maak als gemeente meerjarige afspraken met aanbieders.

Vergroesen: “Met contractafspraken voor langere termijn weten wij als organisatie waar we op kunnen rekenen. Dan kunnen we ook investeringen doen. Een voorbeeld is het investeren in een nieuwe logeeraccommodatie. Cliënten verblijven hier af en toe een week. Ouders kunnen langer zelf voor hun kind blijven zorgen als het kind af en toe uit logeren kan. Dan kunnen zij weer bijtanken. Een logeeraccommodatie kost de samenleving minder dan een permanent verblijf in een faciliteit. Maar het bouwen van zo’n logeeraccommodatie is voor onze organisatie een grote investering. Wij kunnen deze niet doen op basis van een- of tweejarige contracten met gemeenten.”

2. Garandeer dat landelijke standaarden gebruikt worden.

Hoe meer zekerheid er is dat alle gemeenten de standaarden hanteren, hoe meer softwareleveranciers voorinvesteringen durven doen om met goede systemen te komen. Dit hangt met elkaar samen.“Softwareleveranciers zijn terughoudend, merken wij, om hun systemen te optimaliseren voor de standaardberichten iWmo en iJw. Zij vragen zich natuurlijk af hoe zij die investering gaan terugverdienen. Als de G32 nu besluit: wij gaan allemaal van deze standaarden gebruik maken, durven leveranciers dit wel aan. Zo’n statement is nodig.”

3. Deel meer wat werkt en wat niet werkt in het sociaal domein.

“In Nederland wordt veel geëxperimenteerd en geëvalueerd. Deze evaluaties gebruiken we nog te weinig. Hoe verspreiden we deze kennis beter bij alle betrokken organisaties? Hoe bouwen we samen meer deskundigheid op? Hoe werken we beter samen? We zouden meer moeten delen van wat werkt en wat niet werkt in het sociaal domein. Daar willen we heel graag met de gemeenten en onze collega-zorgaanbieders over in gesprek.”