U bent hier

Landelijke zorginstelling deelt inzichten na twee jaar decentralisaties

Landelijke zorginstelling Driestroom is gespecialiseerd in ambulante en extramurale zorg. Cliënten wonen door het hele land. Driestroom heeft dan ook contracten met 140 verschillende gemeenten, die allemaal hun eigen werkwijze hanteren. Directeur bedrijfsvoering Hans van Gestel en programmamanager Anton van Arem delen hun inzichten na twee jaar decentralisaties. “Sommige gemeenten gebruiken de systematiek van de standaarden onvolledig. Dan leveren de standaarden ons niet de voordelen op die ze wel zouden kunnen hebben.”

Dit vroeg in het begin veel afstemming met gemeenten. Programmamanager Van Arem: “Het inregelen van de administratie voor de digitale verwerking doen wij bij voorkeur in nauwe samenwerking met gemeenten. Zo hebben wij met de gemeente Nijmegen wekenlang systemen en gegevens vergeleken. In 2016 konden we eindelijk met Nijmegen overstappen op het geautomatiseerd berichtenverkeer”.

Inzicht 1: Gemeenten moeten de standaarden eenduidig en volledig toepassen

Directeur Van Gestel en Van Arem zien grote verschillen tussen gemeenten. “Een van de grootste knelpunten is dat gemeenten de landelijke productcodes niet toepassen,” zegt Van Arem. “We hanteren bij Driestroom nu twaalf productcodes. Dat maakt het registreren van wat een zorgverlener heeft gedaan eenvoudiger. Maar gemeenten denken niet vanuit de doelstelling om onze administratieve lasten te beperken. We werken met 140 gemeenten, we kunnen theoretisch te maken krijgen met 140 verschillende codes voor het zelfde product.”

De landelijke iWmo- en iJw-berichtenstandaarden worden heel verschillend gebruikt en soms niet volledig. Directeur Van Gestel: “We mogen dan factureren met het standaard factuurbericht 303, maar ze sturen ons niet het retourbericht 304 dat erbij hoort. We krijgen ook wel eens toewijzingen via de mail in plaats van via het 301-bericht. Zo gebruiken zij de systematiek onvolledig. Dan hebben wij er niet de voordelen van die het standaard berichtenverkeer wel zou kunnen hebben, maar levert het extra gedoe op.”

Van Arem: “In 2015 hadden veel gemeenten het berichtenverkeer helemaal nog niet ingeregeld. Begin 2016 gebruikte dertig procent van onze gemeenten het geautomatiseerd berichtenverkeer. De rest moesten wij allemaal handmatig afhandelen. Gelukkig zien we verbetering. Als het berichtenverkeer goed is ingeregeld en als in contracten eenduidig is vastgelegd hoe er gefactureerd kan worden, dan kunnen we met het berichtenverkeer zo’n 70% van de vermijdbare administratieve lasten oplossen.”

Inzicht 2: Zorginstellingen vinden veranderen lastig

“De verandercapaciteit van zorginstellingen is kleiner dan wordt ingeschat,” zegt Van Arem. “Logisch, want zorgverleners zijn gedreven, ze willen vooral hun cliënten goed helpen. Dat is een cultuur die niet graag geautomatiseerd wil worden. Het werken in systemen stoort hun primaire proces. Een makkelijke app op de smartphone wordt wel geaccepteerd, maar andere aanpassingen zijn lastig. Mijn advies voor aanbieders: maak administratieve wijzigingen ondergeschikt aan het doel. Je doet het voor cliënten, de gemeente ook. Ons gezamenlijk belang is de zorg voor de cliënt.”

Inzicht 3: Verantwoordelijkheid bij de aanbieder versus gemeente

Driestroom werkt met een aantal gemeenten die de taakgerichte uitvoeringsvariant hanteren. Van Gestel: “We krijgen betaald op basis van inzet. Maar je moet wel afspraken maken over de toegang tot zorg. Voor een bepaald bedrag kunnen we een bepaald volume aan zorg leveren. Over-aanmeldingen leiden dan tot wachtlijsten. Dit leidt weer tot een toename aan crisisplaatsingen voor cliënten waar te lang mee is gewacht. Daarbij: het budget is twintig procent lager dan vorig jaar. De nadruk ligt heel erg op de financiële verantwoording van de activiteiten. Het gevaar is dat we gedwongen worden zo min mogelijk geld te besteden.”

Van Arem: “We moeten besparen, maar door de acceptatieplicht als zorgaanbieder kun je nu eenmaal niet de deur dichtgooien voor cliënten. Dit is nog los van ons morele gevoel van rechtvaardigheid. Wij pleiten ervoor de dat aandacht die de gemeente geeft aan de financiële doelstelling in balans is met de aandacht voor de inhoudelijke doelstelling van de zorg.”

Daarbij komt dat in de taakgerichte uitvoeringsvariant vaak samenwerking met hoofdaannemers en onderaannemers nodig is. Van Gestel: “Het samenwerken als onderaannemer bij taakgerichte contractering maakt de uitvoering complex. Voor de onderlinge verrekening van geleverde zorg blijft een goede administratie noodzakelijk. De systemen van zorgaanbieders zijn niet ingericht op onderlinge informatie-uitwisseling. Dus dat betekent veel handmatig werk.”

Inzicht 4: Gemeentelijke visie op financiering past niet altijd bij specifieke aanbieders

Van Gestel: “Een regio waarin wij werkzaam zijn, financiert alle aanbieders taakgericht. De algemene doelstelling van die regio is om minder residentiële zorg te hebben en meer ambulante zorg. Driestroom richt zich al op meer ambulante zorg en gezinshuiszorg. De doelstelling van de regio hebben wij als organisatie al gerealiseerd. Op basis van gelijke monniken, gelijke kappen baseert deze regio de lumpsum van alle aanbieders echter op de productie van vorig jaar. Daar trekken ze het bedrag af dat zij willen afschalen, omdat residentiële zorg duurder is dan ambulante zorg. Wij zouden willen dat zo’n regio oog heeft voor het specifieke profiel van onze organisatie.”

Verschillende gemeenten willen wel overleggen met aanbieders, merken Van Gestel en Van Arem. “Ze zien inmiddels dat zij de wijze van contracteren meer moeten baseren op de uiteindelijke bedoeling van de decentralisaties. Ze vragen ons ook om onze deskundigheid en mening. We denken graag mee!”

Inzicht 5: Het woonplaatsbeginsel zorgt voor extra administratieve lasten

Van Arem: “Het woonplaatsbeginsel bepaalt welke gemeente verantwoordelijk is voor de financiering van de zorg voor een jeugdige cliënt. Als de woonplaats van de gezagsdrager van de jeugdige wijzigt, heeft dat voor ons als zorginstelling gevolgen. Wij zien regelmatig dat door een voogdij-uitspraak een andere gemeente financieel verantwoordelijk wordt voor een cliënt die al bij ons in zorg was. Zo’n andere gemeente kan een gemeente zijn waar wij geen raamovereenkomst mee hebben.

Er wijzigt niets aan de situatie van de cliënt, maar om de zorg te kunnen blijven leveren, moeten wij vaak tussentijdse contractonderhandelingen met een gemeente aangaan. Dit leidt soms tot lagere tarieven voor de zorg die wij al leveren, terwijl wij er veel extra werk aan hebben. Wij pleiten dan ook voor een vast tarievenstelsel bij een vastgesteld productenstelsel. Dit maakt de hele besturing, bewaking en financiering veel eenvoudiger, vergelijkbaar en transparanter.”