U bent hier

Bouwen aan een evenwichtige relatie

Decentralisaties bieden aanbieders mogelijkheden

Gemeenten bekostigen de zorg op verschillende wijzen. Deze keuzes hebben invloed op de aanbieders. Drie aanbieders van jeugdhulp en ondersteuning in de Kop van Noord-Holland bespraken met het programma i-Sociaal Domein hoe de samenwerking met gemeenten in hun regio verloopt sinds de decentralisaties in 2015.

Aan tafel zaten Miriam Steegers, beleidsmedewerker regio Noordwest-Nederland van de landelijke instelling ’s Heeren Loo, Arie Verhaar van de Opvoedpoli en Roy de Vos, die een kleinschalige jeugd-ggz-praktijk heeft in de regio.

Hebben jullie als aanbieders ervaring met de verschillende uitvoeringsvarianten die gemeenten gekozen hebben voor de Wmo en jeugdhulp?

Miriam Steegers: “Wij werken met verschillende gemeenten en hebben dus te maken met verschillende uitvoeringsvarianten. Gemeenten veranderen ook wel van uitvoeringsvariant. Zo is Alkmaar begonnen met taakgerichte lumpsumfinanciering in het eerste half jaar van 2015. Op dit moment onderzoeken zij de outputgerichte uitvoeringsvariant: bekostiging met arrangementen gericht op resultaten of trajectfinanciering.

In de outputgerichte en taakgerichte uitvoeringsvarianten hebben aanbieders meer ruimte om zelf in te vullen hoe zij het doel van een cliënt kunnen behalen. Er wordt dan bijvoorbeeld niet vastgelegd dat een ambulant begeleider Wmo een bepaald aantal uur bij de cliënt thuis ondersteuning moet bieden. De aanbieder kan de inhoud van de ondersteuning anders inrichten. Maar overal wordt gekeken naar behaalde resultaten. Dat is mijns inziens niet gekoppeld aan een bepaalde bekostigingsvorm. Kwaliteitsmonitoring moet ongeacht de gekozen uitvoeringsvariant altijd een onderdeel zijn.”

Arie Verhaar: “Een bekostiging op basis van taakgerichte of outputgerichte financiering geeft in onze ervaring meestal wel meer ruimte om samen te werken met partners. We werken bijvoorbeeld in Den Haag aan een innovatieve aanpak met multiprobleem-gezinnen. Daar krijgen we samen outputgerichte trajectfinanciering voor met vier à vijf aanbieders. We worden meestal wel ingelicht over de plannen van de gemeente. We hebben bijvoorbeeld met Den Helder meegedacht over de vereenvoudiging van hun productenaanbod.”

Miriam Steegers: “We zijn betrokken geweest bij marktconsultaties van gemeenten over de verschillende producten en denken mee over hoe burgers het best ondersteund kunnen worden.”

Krijgen aanbieders door de decentralisaties meer ruimte voor het ontwikkelen van hun ondernemingsstrategie?

Arie Verhaar: “We trekken meer met de gemeenten op en bespreken met hen wat zinvol is om te doen. Samenwerking met andere zorgaanbieders zorgt dat we de juiste expertise op het juiste moment kunnen inschakelen. We hoeven dan niet meer over te dragen, maar kunnen op hetzelfde moment binnen een gezin meerdere problemen tegelijk aanpakken.”

Roy de Vos: “Als gespecialiseerde aanbieder van jeugdhulp hebben wij voorafgaand aan de decentralisaties geïnvesteerd in persoonlijke contacten met gemeenten, wijkteams en huisartsen. We weten wat we te bieden hebben; we zijn de hoogst opgeleide specialist in onze regio. In de samenwerking met gemeenten maak ik me overigens geen illusie: we krijgen een contract en we hebben weinig onderhandelingspositie. Het enige dat wij wel kunnen doen, is bewust kiezen dat we met gemeenten niet in zee zullen gaan als die bepaalde eisen aan ons stellen waar wij niet aan willen of kunnen voldoen. Wij hebben per gemeente maar weinig cliënten, dus als de administratieve rompslomp er omheen buitenproportioneel groot is en veel gedoe oplevert, kunnen wij ons richten op andere gemeenten die meer maatwerk aankunnen. Gemeenten hebben baat bij diversiteit onder hun zorgaanbieders. Daarom moeten zij niet allerlei werkwijzen en ideeën als een mal over elke aanbieder heen leggen. De mal werkt wel voor de ene partij en niet voor de andere partij. Wij hebben daar last van. We moeten niet allemaal hetzelfde worden. Gemeenten vinden het fijn dat wij er zijn als alternatief voor grote instellingen. Mensen hebben dan wat te kiezen.”

Wat merken jullie aan de toename of afname van administratieve lasten?

Miriam Steegers: “Laat ik voorop stellen: de decentralisaties bieden ons veel mogelijkheden en het is goed om samen te werken. Dat is makkelijker als je eerst je winkel op orde hebt: dat het berichtenverkeer met alle gemeenten is ingericht en werkt, dat er standaardproductcodes worden gebruikt in plaats van eigen gemeentelijke productcodes. Ook moet het woonplaatsbeginsel correct worden toegepast. Al deze zaken aan de achterkant kosten veel tijd als zij niet goed zijn ingeregeld. Ook merken wij dat met inhoudelijke mensen afspraken zijn gemaakt, die de backofficemedewerkers van de gemeenten niet kennen.”

Roy de Vos: “Elke handeling van mij als aanbieder richting een gemeente levert mij extra administratieve lasten op. Dat gaat zo: klanten komen bij ons via de huisarts. Ik stuur een bericht naar de gemeente om een beschikking voor de klant aan te vragen. Bijvoorbeeld via een Verzoek om Toewijzing, het 315-bericht. Dan kan ik er niet van uitgaan dat er een beschikking wordt aangemaakt bij de gemeente. Ik moet er achteraan of er iets met mijn bericht gebeurt. Het gaat er niet om dat de gemeente geen beschikking wil afgeven, dat is nooit de issue. Maar er gebeurt gewoon niets als ik er niet achteraan bel. Ik heb echt een hotline met sommige mensen.”

Arie Verhaar: “Onze relatie met de gemeenten is verbeterd. Gemeenten en aanbieders gaan open in gesprek, bijvoorbeeld over de opbouw van tarieven. Daardoor bouwen we aan een evenwichtigere relatie. Gemeenten zagen hun totale begroting verdubbelen door het sociaal domein, er was onzekerheid, onbegrip en onwetendheid. Hun eerste reactie was om heel zakelijk in te kopen en geen risico’s te nemen. Aan de financieel-administratieve kant gaat er nog veel moeizaam. En dat ligt niet aan de mensen, iedereen doet zijn best.”

Miriam Steegers: “Gemeenten vragen veel informatie aan ons als aanbieder, vaak omdat men nog niet goed weet hoe het zit. Gemeenten hebben veel bedacht vanuit een specifieke zorgvorm, en verwachten dan dat datzelfde opgaat voor andere zorgvormen. Zij kregen dan iets te horen over jeugd-ggz en projecteerden dat op de hele jeugdhulp. Dit is wel aan het veranderen. Gemeenten begrijpen nu beter dat dit niet zo werkt. In het begin was alles voor hen nieuw. Nu is er meer samenwerking. Zo nemen wij deel aan een bovenregionale werkgroep voor specialistische jeugdhulp. Aan die werkgroep doen achttien gemeenten mee. Er is een transitieagenda en een uitvoeringsagenda. We hebben meer contact met de beleidsmedewerkers van de gemeenten en met andere aanbieders. Het besef is er dat je het samen moet doen.”

Is innovatie een onderdeel van het contract met gemeenten?

Miriam Steegers: “Aanbieders zijn altijd bezig met innoveren, ongeacht het contract dat ze van gemeenten krijgen. De uitvoeringsvariant die de gemeente heeft gekozen speelt daarin niet een grote rol. Soms denkt men dat aanbieders voor 2015 niet aan innovatie deden. Daar zijn we al mee bezig geweest en wij blijven daar mee doorgaan, ook al staat het niet expliciet in ons contract met gemeenten.”

Arie Verhaar: “Gemeente Den Helder heeft groepen opgestart om gezamenlijk te innoveren. Wij nemen daar aan deel. We werken bijvoorbeeld samen met de gemeente en andere aanbieders aan een plan om jongeren op te vangen die niet plaatsbaar zijn. Als Opvoedpoli zijn we ook betrokken bij het opzetten van werkvoorzieningen voor jongeren. En dan zijn er nog meer thema’s en groepen waar anderen weer aan deelnemen. In die samenwerking moeten aanbieders zich niet bevoogdend opstellen: ‘Wij weten hoe het moet, wij regelen het wel.’ Maar weten wat er leeft bij mensen en daar als aanbieders en gemeenten op anticiperen. Daar is openheid voor nodig. Wees niet bang om elkaar informatie te geven over hoe jij het aanpakt. Vergelijk elkaars aanpak."