U bent hier

Vertrouw op onze inhoud: De Opvoedpoli in regio Zuid-Kennemerland, IJmond en Haarlemmermeer

14 april 2018

Patricia van Grevenstein is regiodirecteur van de Opvoedpoli in Haarlem, jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond en Haarlemmermeer. Van Grevenstein: “De Opvoedpoli is niet alleen een aanbieder van specialistische jeugd-ggz. We zijn een schakel in de keten in de ontwikkeling van een kind. Wij denken niet als er hier een jongere binnenkomt: “Is er hier sprake van  een diagnose voor jeugd-ggz? Nee? Nou sorry, tot ziens dan maar.”

Als kinderen en hun ouders of verzorgers hulp zoeken, dan speelt er iets. Er kan iets aan de hand zijn met het kind, maar soms ook is het juist de wereld om het kind heen, vertelt Van Grevenstein. “Daarom vinden wij dat we heel integraal naar kinderen en hun leefwereld moeten kijken. Integraal is natuurlijk een beetje een modewoord in het sociaal domein. Voor ons betekent het in ieder geval dat je alle leefgebieden van een kind meeneemt in je beeld over van wat er speelt, bijvoorbeeld thuis of school. En het betekent dat je de tijd neemt om het gezin, de jongere of het kind echt te leren kennen en dus echt in contact komt.”

Percelen en producten

De Opvoedpoli heeft zich in de regio Zuid-Kennemerland en IJmond ingeschreven op een aantal percelen van jeugdzorg. Van Grevenstein: “Als wij volgens onze eigen integrale aanpak willen werken, moet ik uit de producten van de percelen waar wij op hebben ingeschreven, samenstellen wat ik wil bieden aan een cliënt en zijn gezin. Dan heb ik een stukje jeugdzorg nodig, een stukje GGZ, maar bijvoorbeeld soms ook praktische begeleiding: hoe houd je je huis netjes, de functionele basis. Dat zijn verschillende producten en voor elk product moet een beschikking worden aangevraagd.” Op zich bieden de gemeenten dus wel ruimte om integraal te werken, vertelt Van Grevenstein, “Maar is het een best ingewikkeld administratief proces en je moet je dus iedere keer afvragen: dat wat ik wil doen, hoe past dat in welk product? Daarnaast is het zo dat binnen genoemde gemeenten op sommige percelen de indirecte tijd niet wordt bekostigd. Dat vind ik echt een lastige omdat juist die activiteiten vragen om veel outreachend werk en veel afstemming met meerdere partijen.”

Bij welke gemeente hoort dit kind?

Dan is ook nog van belang uit welke gemeente de cliënt komt, vertelt Van Grevenstein: “De meeste cliënten komen nog bij ons via de huisarts. We moeten dan uitzoeken in welke gemeente de ouder van het kind woont. Tegenwoordig is de eerste vraag die wij onszelf moeten stellen na een intake: bij welke gemeente hoort dit kind? Dan kijken wij: wat mogen wij doen? Dat kan per gemeente verschillen, ook binnen een regio zoals Zuid-Kennemerland en IJmond en Haarlemmermeer. Dit betekent dat de wijze van financiering bijna voorliggend lijkt aan wat er nodig is en dat zou niet zo moeten zijn. Het puzzelen met de verschillende financieringspercelen en producten is tijdrovend en leidt af van onze hoofdtaak: goede zorg aan gezinnen leveren.”

Indicatie

Meestal staat in het contract met de gemeente dat de indicatie van de huisarts gevolgd moet worden. De Opvoedpoli zou graag de vrijheid hebben om de zorg in te zetten die zij, op basis van de analyse van de intake in het multidisciplinair overleg, nodig achten voor het kind en het gezin. Van Grevenstein: “Soms kan dat betekenen dat wordt afgeweken van de indicatie van de huisarts. Dan indiceert de huisarts bijvoorbeeld een onderzoek naar ADHD binnen de SGGZ (specialistische GGZ) maar komen wij er tijdens de intake achter dat het kind bekneld is in een complexe scheiding en willen we eerst een stuk jeugdzorg inzetten om een meer veilige omgeving voor het kind te creëren. Het is heel goed mogelijk dat het gedrag van het kind dan ook verandert. Verder is een indicatie natuurlijk altijd op het individu gericht, de jeugdige. Hoewel we één gezin, één plan nastreven, blijft de financiering dan toch meestal beperkt tot het kind. Terwijl je natuurlijk op je klompen kunt aanvoelen dat het soms nodig is ook intensief op het systeem en de ouders in te zetten. De verbindingen tussen jeugdzorg, volwassenenzorg, Wmo en andere zorgvormen is daarvoor nog niet toereikend. Dit moet nog veel verder uitgewerkt worden.”

Goed contact

Gemeente Haarlemmermeer heeft zelf jeugdzorg ingekocht. De Opvoedpoli merkt dat deze gemeente samen met de aanbieders zoekt naar de ruimte die nodig is om integraal te werken. Van Grevenstein: “In Haarlemmermeer heb ik maar één contactpersoon met wie ik afstem, Justus Verbeek, de categoriemanager van de gemeente. Justus komt bij ons over de vloer. Dan laat ik hem zien waar wij mee bezig zijn. We willen bijvoorbeeld minder overlegvormen over de cliënt en meer doen mét de cliënt. Hoe we dit bereiken, bespreken we in de organisatie. Ik voer dit gesprek ook letterlijk zo met Justus. Hij heeft daardoor inzicht in hoe wij ons ontwikkelen als organisatie. Als ik een vraag heb, of ik wil iets afstemmen, dan app of bel ik hem gewoon. Haarlemmermeer vertrouwt op onze inhoud. Dat vertrouwen geeft ons een belangrijke basis.”

Goed voorbereid

In 2017 bereidde Haarlemmermeer met enkele aanbieders de overstap voor naar een nieuwe bekostiging van de jeugd-ggz. “Wij werden uitgenodigd om deel te nemen in een pilot in het najaar van 2017. Het tarief is door de aanbieders en de gemeenten samen opgesteld op basis van een analyse van de kosten in de voorgaande jaren. We stapten van de DBC’s af en gingen per uur rekenen. Dit werkte prima en zo waren we goed voorbereid op de overstap per 2018 naar de inspanningsgerichte uitvoeringsvariant.”

Knelpunt bespreken

Door de korte lijntjes met Justus Verbeek kon Van Grevenstein een knelpunt bespreekbaar maken. “Haarlemmermeer stelde als eis dat een GZ-psycholoog bij 20% van de tijd van alle behandelingen aanwezig is. Daar hebben wij er maar vijf van! Ik kan ze beter inzetten waar ze echt nodig zijn. In sommige trajecten is cognitieve gedragstherapie nodig, dan zet ik daar een cognitief gedragstherapeut op, die zijn daar prima voor opgeleid. Er zijn ook trajecten waar 60% van de tijd een GZ-psycholoog nodig is. In sommige misschien maar 5%. Naar aanleiding van ons gesprek heeft Haarlemmermeer die strakke eis van 20% binnen onze pilot losgelaten. Dat komt ook omdat wij kunnen laten zien wat wij precies doen en wie wij hebben ingezet in de behandelingen en waarom we dat hebben gedaan.”

Verdeling

De Opvoedpoli is nu bezig om in kaart te brengen welk deel van hun zorg bestaat uit jeugdhulp en welk deel uit specialistische jeugd-ggz. Van Grevenstein realiseert zich dat ze voor dit doel de zorgverleners extra belast door te vragen om dit te registreren. “Maar in dit geval vind ik het zinvol om naar die verdeling te kijken. We hebben ook intern de definities besproken van wat we doen. Wanneer is iets jeugdzorg? Wat is het verschil tussen begeleiden, behandelen en ggz? Bijvoorbeeld: een jongere is bij ons in behandeling en hij ervaart ook problemen op school. We gaan hem dan bijvoorbeeld helpen om zijn stage voor school goed op de rit te krijgen. Is dat stukje dan begeleiding of behandeling?”

Meer samenwerken

Ruimte krijgen voor een integrale aanpak waarin de cliënt en zijn leefwereld centraal staan, betekent ook dat aanbieders meer moeten samenwerken. Van Grevenstein: “Het lijkt mij heel fijn als ik gewoon iemand zou kunnen opbellen van een andere aanbieder om een casus te bespreken of om samen te werken. Maar alle aanbieders die zoals wij met indicaties werken, moeten eerst een beschikking binnen hebben voor een cliënt. Anders kunnen zij niets doen. Leg maar eens uit dat die andere club ook een beschikking moet krijgen voor hetzelfde kind, voor hetzelfde probleem. We zijn hier met zijn allen nog niet op ingesteld.”

Transformatie

Toch is dit nodig voor de transformatie, denkt Van Grevenstein. “Het doel van de decentralisaties is vernieuwing en transformatie. Ik vind het jammer als een gemeente bezig is om de glazenkast te herschikken, maar geen nieuwe glazen neerzet of oude glazen weghaalt. Gemeentemensen hebben ook echt wel hart voor de zaak en willen het beste voor de kinderen in hun regio. Maar de gesprekken gaan vaak niet over de inhoud van de zorg en ik vind dat de veranderingen langzaam gaan.”

Meer afstemming

Als voorbeeld van een regio die samenwerking stimuleert, noemt Van Grevenstein Amsterdam-Amstelland. Daar wordt gewerkt met een hoofdaannemer, een aanbieder die zorg voor een cliënt kan uitbesteden aan onderaannemers. Van Grevenstein: “Zo’n model lijkt heel kansrijk om samenwerking te stimuleren tussen aanbieders. Daarmee houd je de regie op de zorg voor een kind bij een instantie. De financiering en de risico’s van de hoofd- en onderaannemers zijn mogelijk een knelpunt. Een cliënt kan zwaardere zorg nodig blijken te hebben dan je op voorhand dacht, en dan kom je geld tekort. Het zal even duren voor dit model gesetteld is. Maar ik kan mij voorstellen dat dit model op termijn meer onderlinge samenwerking en afstemming oplevert tussen aanbieders.”

Nieuws archief